PSSM bij het paard: wetenschappelijke feiten op een rij

PSSM staat voor polysaccharide storage myopathy. Dit is groep spieraandoeningen waarbij suikermoleculen stapelen in de spiercellen wat leidt tot spierproblemen. Sinds kort wordt er door een laboratorium in Duitsland  een nieuwe genetische test  aangeboden om PSSM2 aan te tonen bij paarden. Deze test heeft heel wat los gemaakt bij paardeneigenaren en fokkers. Discussies over het nut en de betrouwbaarheid van de test lopen hoog op en de besluiten die door sommige eigenaren op basis van de testuitslagen worden genomen gaan (veel te) ver. Op de website van de test (EquiSeq) wordt de betrekkelijkheid van de aangeboden test(en) wel uitgebreid toegelicht, maar dit is niet voor iedereen even duidelijk. Hoogste tijd dus om de wetenschappelijke gegevens over PSSM een rijtje te zetten met het doel om alle betrokkenen (eigenaren, fokkers, kopers en verkopers) te informeren over PSSM, de diverse vormen die PSSM kent en het nut van de diverse testen.

Wat is PSSM?

Polysaccharide storage myopathy (PSSM) is een verzamelnaam voor een groep spierziekten die voorkomen bij paarden van verschillende rassen. Paarden met PSSM kunnen uiteenlopende klinische symptomen laten zien, waaronder spierstijfheid, overmatig zweten, niet willen lopen, verminderd presteren, verlies van bespiering, spiertrillingen, aanvallen van spierbevangenheid en koffiekleurige urine. Deze symptomen worden ook wel samengevat onder de naam ‘spierbevangenheid’, maar niet iedere spierbevangenheid is PSSM. Bloedonderzoek laat vaak een verhoogde concentratie van spierenzymen zien. Bij microscopisch onderzoek van een spierbiopt van paarden met PSSM wordt in de spiercellen een abnormale stapeling van suikermoleculen gezien. Er worden verschillende soorten PSSM onderscheiden: PSSM1 en PSSM2. Waarbij PSSM1 een duidelijk omschreven ziektebeeld is met een vaststaande genetische achtergrond en PSSM2 een verzamelnaam is voor andere spierziekten waarbij ook sprake is van abnormale suikerstapeling in de spiercellen maar geen sprake is van de genetische afwijking die zorgt voor PSSM1. PSSM2 is dus niet één specifieke ziekte, maar een verzamelnaam voor een groep spierziekten met stapeling van suikermoleculen in de spiercellen.

Wat is PSSM1?

PSSM1 is een spieraandoening waarbij een abnormale stapeling van suikermoleculen optreedt in de spiercellen die veroorzaakt wordt door een genetische mutatie in één specifiek gen (het zogenaamde glycogeen synthase 1 gen  -  GYS1). Deze aandoening komt voor bij verschillende rassen (o.a. Quarter Horses, Paint Horses en verschillende Trekpaarden rassen). PSSM1 is erfelijk (autosomaal dominant). Dat wil zeggen dat het via één mutatie op één gen vererft net zoals bijvoorbeeld het Warmblood Fragile Foal Syndrome (WFFS), alleen is WFFS autosomaal recessief. Dat wil zeggen dat bij PSSM1 heterozygoten wel symptomen kunnen vertonen en bij WFFS heterozygoten geen symptomen vertonen. Elk paard heeft twee kopieën van ieder gen in zijn DNA, en zo ook voor het glycogeen synthase 1 gen. Paarden met twee ‘gezonde’ kopieën voor dit gen (homozygoot gezond) zijn negatief en hebben dus geen PSSM1. Paarden met één afwijkende kopie voor het gen (heterozygoot) zijn positief en kunnen dus PSSM1 symptomen ontwikkelen, vaak in een milde vorm. Deze dieren zullen in 50% van de gevallen dit gen ook doorgeven aan hun nakomelingen. Paarden met twee afwijkende kopieën voor het gen (homozygoot verkeerd) voor PSSM1 testen ook positief en zullen nogal eens een ernstige vorm van PSSM1 ontwikkelen. Deze dieren geven het gen aan 100% van hun nakomelingen door.

Wat is PSSM2?

PSSM2 is een groep verschillende spieraandoeningen waarbij ook abnormale stapeling van suikermoleculen in de spiercellen optreedt en de symptomen lijken dan ook op die van PSSM1. Deze paarden hebben echter niet de genetische mutatie (verandering) die hoort bij PSSM1 en zijn dus niet met de genetische test voor PSSM1 op te sporen.

De verschillende aandoeningen die onder de naam PSSM2 worden beschreven,  komen bij allerlei rassen voor (diverse Amerikaanse rassen, KWPNers, Zweedse warmbloeden, Hannoveranen, Friezen, Selle Francais, Westfalers, Canadese warmbloeden, Ieren, IJslanders, Quarter horses en meer).

Op dit moment is nog niet bekend óf (en zo ja welke) genetische mutatie(s) verantwoordelijk is/zijn voor de aandoeningen die onder PSSM2 vallen. Wel zijn er een aantal genetische varianten gevonden die mogelijk meer voorkomen bij paarden met PSSM2, maar deze genetische varianten worden ook gevonden bij paarden die geen klinische problemen hebben en ook geen suikerstapeling laten zien in hun spieren. Anderzijds zijn er ook paarden met duidelijk klinische symptomen van PSSM2 (inclusief stapeling van suikermoleculen in hun spiercellen) , die de bovengenoemde genetische varianten niet hebben. Bij deze patiënten moet er dus een andere oorzaak zijn voor het feit dat de paarden PSSM2 hebben. Er is dus (nog) geen rechtstreeks verband gevonden tussen bepaalde genetische mutaties en het ontstaan van PSSM2. Hoogstwaarschijnlijk zijn er meerdere factoren samen verantwoordelijk voor het ontstaan van de ziektebeelden die samengevat worden onder de term PSSM2.

Hoe kan een spierbiopt helpen bij de diagnose?

Een spierbiopt is een goede methode om de afwijkende stapeling van suikermoleculen (PSSM) aan te tonen. Als er een abnormale stapeling van suikermoleculen in de spiervezels wordt gezien, kan er met 100% zekerheid geconcludeerd worden dat het paard aan een vorm van PSSM lijdt. Het spierbiopt maakt echter geen onderscheid tussen PSSM1 (genetisch defect dat in meer of mindere mate tot spierproblemen kan leiden) en PSSM2 (een groep spieraandoeningen met dezelfde klinische en microscopische afwijkingen, maar met een nog onbekende genetische achtergrond).

Om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken: Het is mogelijk dat een paard wel aanleg heeft voor PSSM maar nog geen abnormale stapeling van suikermoleculen laat zien. Dit komt omdat het bij paarden die lijden aan PSSM doorgaans even duurt voordat de afwijkende suikermoleculen gaan stapelen in de spiercellen en daadwerkelijk zichtbaar worden in een spierbiopt. Dit kan vooral bij jonge paarden voorkomen die nog weinig getraind zijn. Dat houdt dus in dat een paard met een normaal spierbiopt in de toekomst alsnog PSSM zou kunnen ontwikkelen. Als paarden klinische klachten hebben ten gevolge van PSSM zal dit echter wel altijd zichtbaar zijn in een spierbiopt. Het onderzoeken van een spierbiopt is dus vooral zinvol bij paarden met klinische klachten van hun spieren. Als er in die gevallen abnormale suikerstapeling gezien wordt in het spierbiopt, is dit een betrouwbare uitslag en is er dus sprake van PSSM. Dan is echter nog niet bekend om welke vorm het gaat.

Genetische test voor PSSM1: goed bruikbaar

Er is een goede genetische test beschikbaar om PSSM1 met vrijwel 100% zekerheid aan te tonen. Deze test kan uitgevoerd worden bij paarden mét en zonder klinische symptomen, want het gaat hier om de genetische aanleg. Jonge dieren tonen nog niet altijd verschijnselen van PSSM1, maar een positieve testuitslag bij de genetische test voor PSSM1 geeft dan wel aan dat het dier op termijn waarschijnlijk klinische verschijnselen van de ziekte zal ontwikkelen, maar dit hangt ook samen met het management. Voor meer informatie zie ook het artikel ‘PSSM in de paardenhandel’  (Tijdschrift voor Diergeneeskunde 2018; 143 (7): 21-23).

Wat is de bruikbaarheid van de genetische test voor PSSM2?

Voor PSSM2 ligt de situatie gecompliceerder. Op dit moment wordt er veel onderzoek gedaan om de eventuele genetische mutatie(s) die PSSM 2 veroorzaakt/veroorzaken te achterhalen. Helaas is het nog niet gelukt om één genetische mutatie te vinden die PSSM2 veroorzaakt. Dit komt mogelijk omdat er meerdere klinische syndromen onder de naam PSSM2 worden samengevat. Er zijn wel verschillende genetische varianten gevonden die mogelijk verband houden met PSSM2, maar hiervoor geldt dat deze ook voorkomen bij gezonde paarden zónder een aandoening die onder PSSM2 valt (en dus zonder suikerstapeling in de spiercellen). Ook zijn er paarden mét suikerstapeling in hun spieren (aangetoond middels een spierbiopt) waarbij deze genetische varianten níet worden aangetoond.

Er is dus op dit moment geen sprake van een directe relatie tussen bepaalde genetische mutaties en de ziektebeelden die worden samengevat onder de naam PSSM2. De genetische test die door het Center for Animal Genetics wordt aangeboden (EquiSeq) is, voor zover op dit moment is te overzien, niet betrouwbaar om een spierziekte vallend onder PSSM2 met zekerheid aan te tonen of uit te sluiten. De test zegt dus alleen of een paard een bepaalde genetische variant heeft welke mogelijk vaker voorkomt bij paarden met PSSM2, maar dit zegt niets over het feit of het paard wel of niet een spierziekte met suikerstapeling (PSSM2) heeft of zal ontwikkelen.

Hoe houd ik een paard met PSSM aan het werk?

Het genezen van PSSM is helaas niet mogelijk. Als de diagnose PSSM met zekerheid is gesteld, is het belangrijk om het management van het paard aan te passen om zo aanvallen van spierbevangenheid te voorkomen. Hierbij zijn twee zaken belangrijk. Ten eerste het aanpassen van het rantsoen van het paard. Het gehalte suikers in het voer dient beperkt te worden. Bij paarden met een hoge energie behoefte (en waarbij geen sprake is van overgewicht!) kan gebruik gemaakt worden van vetten als extra energiebron. Paarden met PSSM hebben ook een hogere behoefte aan vitamine E en dit dient dan ook te worden bijgevoerd. Ten tweede is het erg belangrijk om het paard dagelijks op zeer regelmatige wijze beweging te geven om de stofwisseling in de spieren te activeren. Aanvallen van spierbevangenheid bij paarden met PSSM treden vooral op na enkele dagen rust. Bij >75% van de paarden waarbij de voeding en het bewegingsregime zijn aangepast, worden geen aanvallen van spierbevangenheid meer gezien.

Als het paard toch tekenen van spierbevangenheid laat zien is het belangrijk om het paard direct boxrust te geven en een dierenarts te waarschuwen. Afhankelijk van de ernst van de aanval kan de dierenarts een passende behandeling instellen. Deze kan, afhankelijk van de ernst, bestaan uit pijnstilling, middelen om de doorbloeding van de spieren te stimuleren en infuus om schadelijke afvalstoffen uit de spieren ‘uit te spoelen’.

Conclusie

PSSM is een verzamelnaam voor verschillende spieraandoeningen bij paarden. PSSM1 kan het beste worden aangetoond met een genetische test. Voor PSSM2 is er (nog) geen betrouwbare genetische test beschikbaar. De PSSM2-test die op dit moment wordt aangeboden is niet goed bruikbaar omdat een deel van de paarden die positief testen geen suikerstapeling in hun spiercellen (PSSM2) hebben óf zullen krijgen. Het lijkt dan ook niet verstandig om een besluit te nemen ten aanzien van fokken, verkopen of zelfs euthanaseren van paarden op basis van de aangeboden PSSM2-test. Een spierbiopt is op dit moment nog de beste manier om PSSM2 aan te tonen bij paarden met klinische klachten passend bij PSSM (als ze negatief testen voor PSSM1).

Drs. Mathijs J.P. Theelen, Dr. Cornélie M. Westermann, Prof.dr. Marianne M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan
Universiteitskliniek voor Paarden, Faculteit Diergeneeskunde,  Universiteit Utrecht.

Voor meer informatie klik hier.

Zie voor meer informatie (in het Engels) ook de website van het Equine Neuromuscular Diagnostic Laboratory van Michigan State University (USA): https://cvm.msu.edu/research/faculty-research/valberg-laboratory